Herbestemming

DE WATERTOREN VAN HAZERSWOUDE
door Ir. Ben Gillissen

De toren is door Bouwbedrijf Verwey uit Boskoop in opdracht van Hoogvliet Beheer naar ontwerp van Rothuizen van Doorn 't Hooft te Goes verbouwd. De heer Gillissen werkt als architect voor dit bureau.

De watertoren van Hazerswoude is een relatief kleine watertoren met een hoogte van ± 27 m, en een beperkte doorsnede. De omschrijving uit de inventarisatie van Nederlandse Watertorens luidt: “cilindervormig hoogreservoir van gewapend beton met vlakke bodem. Gewapend
betonskelet van kolommen en koppelbalken, open ruimte tussen de constructieve delen kunnen naar believen worden ingevuld met baksteen, glas e.d.”.
De toren is gebouwd in 1915 naar een ontwerp van A.D. Heederik, een voormalige assistent van J. Schotel, en staat op de provinciale monumentenlijst.





De Toren
De architectuur van de toren vormt een interessante combinatie van een traditionelemetselwerk schil rond het vat en een moderne betonconstructie als ondersteuning. Zoals bij demeeste watertorens heeft de architectuur meer aandacht gekregen dan in eerste instantieverwacht kan worden van een zuiver functioneel object: een watertoren heeft immers als enigefunctie het op een bepaalde hoogte opslaan van een hoeveelheid water. De aanleg van hetdrinkwaterleidingsysteem, waarmee ziekten als cholera en tyfus werden uitgebannen, was echter van een groot maatschappelijk belang. Het leidingsysteem is onzichtbaar; de watertorens vormden de zichtbare onderdelen waarmee de trots op deze collectieve voorziening tot uitdrukking kon worden gebracht. De schil van metselwerk rond het vat en de onderbouw werd zeker in het begin rijkelijk gedecoreerd. Diverse Neoclassicistische architectuurstijlen maar ook Jugendstil en een afgeleide van de Art Deco werden toegepast om de schil te verfraaien.
De vatomhulling van de toren van Hazerswoude is uitgevoerd in de Waterstaatstijl, met aan de Jugendstil ontleende elementen. In het metselwerk zijn diverse decoraties aangebracht zoals, banden van geglazuurde stenen, hoekblokjes bij de ramen en een fraaie torentrans. Opmerkelijk zijn de ovale, naar beneden gerichte, ramen ter hoogte van de lekvloer. De dragende betonconstructie heeft de voor de begintijd van de betonconstructies markante “momentvaste” schuine aansluitingen.

Een nieuwe toekomst
Voor het behoud van ieder historisch gebouw op langere termijn is een nieuwe blijvende functie van groot belang. Bij het geschikt maken van een watertoren voor een nieuwe functie komen een aantal zeer specifieke en voor de architect uitdagende aspecten naar voren. Behoud van het authentieke karakter en uitbuiten van de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten staan vaak op gespannen voet met de functionaliteit en de huidige bouwvoorschriften ten aanzien van veiligheid, thermische isolatie en bruikbaarheid.
De opdrachtgever wil enerzijds de toren gebruiken vanwege het specifieke karakter ervan (vaak het nieuwe “beeldmerk” voor zijn organisatie). Anderzijds wil hij ook een bruikbaar en veilig gebouw. De combinatie van restauratie van het bestaande gebouw, de noodzakelijke aantastingen hiervan en de toevoeging van nieuwe elementen vraagt om een nauwkeurige afstemming van de toe te passen materialen. De oorspronkelijke toren kende al een combinatie van de utilitaire en robuuste draagconstructie met de verfijnd gedetailleerde bovenbouw. De nieuwe functie was aanleiding om hier een geavanceerd materiaalgebruik aan toe te voegen. De nieuwe elementen zijn samengesteld uit roestvast staal, glas, titanium en natuursteen.





Het ontwerp
De toren van Hazerswoude heeft een kleine doorsnede. Met het aanbrengen van drie nieuwe vloervelden tussen de kolommen van de betonnen draagconstructie en een dakopbouw zijn in totaal 8 bruikbare vloeren gerealiseerd. De beperkte oppervlakte per vloer heeft geleid tot de keuze om de lift, de belangrijkste toegang tot de kantoorruimten, buiten de toren te plaatsen. Hiermee word tevens tegemoet gekomen aan de wens om de nieuwe functie aan de buitenzijde zichtbaar te maken. De lift, de beglazing tussen de dragende kolommen en de dakopbouw geven uitdrukking aan de nieuwe functie van de toren. In het ontwerp hebben nog andere overwegingen een rol gespeeld. Het betonnen vat is als ruimtelijk gegeven (schil in schil) gehandhaafd. De vatwand is op enkele plaatsen open gezaagd om de ruimte toegankelijk te maken en daglicht toe te laten in de hierin ondergebrachte vergaderruimte. De ruimte tussen vat en buitenwand is voorzien van een glazen trap waarmee het verticale karakter van de ruimte intact is gelaten.
Het dwingende karakter van de ronde ruimten wordt gerelativeerd door te werken met bewust asymmetrisch aangebrachte elementen. De in een gesloten koker geplaatste (nood)trap is tegen de gevel geplaatst en staat schuin om een zo groot mogelijk vloervlak bruikbaar te laten. De looplijn van de lift is niet op het middelpunt van de cirkel gericht maar scheert erlangs. Hiermee wordt een ruimtelijk interessante aansluiting van lift op toren verkregen. Bij het restaureren van de toren vormden het terugbrengen van de verdwenen oorspronkelijke torentrans en de reparatie van de betonrot in het skelet de hoofdmoot.